Deel 1 – Berend Siegers vertelt

 Gepubliceerd door op 14 maart 2016
 

Een stamboom is feitelijk een kale boel: een dorre opsomming van namen en data, een boom zonder lover. Over de persoonlijkheden en de soms barre en boze levensomstandigheden wordt niet gerept en de jongste generaties weten vrijwel niets over hun voorgeslacht.
Vroeger brachten de moeders of de inwonende grootmoeders, die van de voorouders uitstekend op de hoogte waren, deze kennis over op de kleinkinderen, veelal op de donkere winteravonden bij de turfkachel en het spaarzame licht van een kaars of een petroleumlamp. Of in een enkel geval deed de vader of grootvader dat. En dan niet te vergeten tijdens een bezoek in de pronkkamer van tantes en oudtantes kwam allerlei familienieuws, duchtig aangevuld met ziekten en doodsoorzaken ter sprake.
Daarom besloot ik – als oudste van de familie Siegers met de meeste herinneringen – een familiekroniek samen te stellen, die loopt van omstreeks de Franse inlijving tot na de Duitse bezetting, een periode met een golfbeweging van goede en slechte tijden.

Deel1huisMeerweg

Huis Meerweg, ca 1917

Mijn eerste jeugdjaren
Ik, Berend, Bé voor het gemak, en mijn zusje Aaltje waren de twee oudste kinderen van het echtpaar Siegers-Horst. Wij waren jarenlang altijd samen en woonden aan de zuidzijde van de Havenstraat (thans Meerweg). Deze foto, vermoedelijk rondom 1917 genomen, laat zien aan de kledingstukken achter het raam dat mijn vader kleermaker was.
Mijn geboorte in 1912 was geen peulenschil, een tengere moeder en een forse boreling. Volgens Pa kwam ik zo verfrommeld ter wereld dat hij en dokter Takens mij in fatsoen moesten drukken. Anders was ik een kermisattractie geworden naast een kalf met twee koppen en een schaap met vijf poten.

Moeder die over-godsdienstig was, trachtte van mij een kindeke Jezus te maken, maar ik miste de vrome instelling. Geen geknuffel en alleen een kusje als daar een tegenprestatie van een koekje tegenover stond. Ik was een eenzelvig kereltje, maar toch niet eenkennig of bang voor vreemden. Ik kon het ook uitstekend vinden met de buurvrouwen Pieters en Hut (“Bégie mien jong”) en Pa noemde mij dan ook “het kind van de buurvrouw” naar de titel van een destijds bekend toneelstuk.
Het leven van kinderen was toen geheel anders dan nu, veel ruwer, harder, kouder. Een kind diende te zwijgen en gehoorzaam te zijn. Tegenspreken of protesteren werd niet geduld, dat leverde een pak rammel op en “zonder eten naar bed” of voor straf enkele uren op de ( turf) zolder. Staat er niet in Gods Woord geschreven: Hij die zijn zoon lief heeft, kastijde hem?”
Vragen die zweemden naar het seksuele werden afgedaan met “o, dat is piesemalle-qu”. Het bescheid van Pa was meestal een snauw, grauw, een wat- je- kouw (= oorvijg) of een schop.
Wij wisten niet beter en vergeleken met anderen hadden wij het bepaald niet slecht. Bij ons was het de vader, bij anderen is het weer de moeder, die ongenadig en hardhandig met de slof regeerde.

Deel1geboortebewijsBerend

Geboortebewijs Berend

Ook op school was het van hetzelfde laken een pak, de meester die met zijn liniaal op je handen sloeg en de juf die geniepig aan je haren of oren trok of je oren omdraaide. Dan moest je nog zorgen dat Pa dat niet te weten kwam, want dan kreeg je voor de tweede keer straf! Andere tijden, andere zeden!!
Mijn zusje was heel anders dan ik, een mooi, fijn en teer poppetje, waarvan men dacht dat het geen “blijvertje” zou zijn. Zij werkte in haar eerste levensjaren de lijst met alle kinderziekten af, die volgens Pa bekend waren of nog uitgevonden moesten worden. Pa zei dan: “Jij, jij bent niet normaal geboren, maar van de kraaien van de dijk gescheten”.
Vanwege de mobilisatie in de eerste wereldoorlog verbleef Pa vier jaar lang in de Harskamp op de Hoge Veluwe en als hij dan met kort verlof thuis kwam, verstoorde hij de huiselijke rust van ons gezinnetje.

Door het ontbreken van de inkomsten van de kleermakerij moest moeder in die periode leven van de gezinstoelage die de soldaten kregen en ons door een ellendige tijd van gebrekkige voedseldistributie, prijsopdrijvingen en bedrog zien heen te loodsen. We moesten verhuizen naar de Kromme Elleboog en gingen van een woning met alkoof (een alkoof is een verhoogde slaapkamer met een kelder eronder tussen de voor en achterkamer ) naar een woning met bedsteden (zie foto). De woning staat er nog links naast het witgeverfde pand van een schoonmaakbedrijf bij Aldi.
Na de demobilisatie kon Pa moeilijk wennen aan het normale burgerleven. Hij bleef in wezen nog steeds een militair, een commanderende sergeant. “In de houding. Borst vooruit, buik intrekken, pink op de naad van je broek. Ik zal je leren rechtop te staan”. Zelfs het schoenpoetsen werd voor ons een krijgshaftig gebeuren, tien, elf paar schoenen op een rij, de borstels en schoenpoets op een krant op een bepaalde afstand ernaast, dan inspectie van Pa.

Huis Kromme Elleboog

Huis Kromme Elleboog

Het draaide er steeds op uit, dat alles werd afgekeurd, nooit was er iets goed en dan moesten we opnieuw beginnen. Een echte vader is Pa nooit voor ons geweest. Af en toe liet hij zich van een betere kant zien; zo maakte hij voor mij het militaire pakje waarmee ik op de foto sta. Maar ik voelde me er nooit in thuis, het zat niet lekker vanwege de stijve stof.
De verhouding met Moe was oneindig veel beter, maar zij had weer het nadeel dat ze alles in het godsdienstige vlak trok en veel bijbelse termen gebruikte die wij dan weer niet begrepen.
Haar geloof was dat van de drie SSS-en, soberheid, somberheid en schuldgevoelens. Bij elke tegenslag, ziekte of natuurramp zag zij de straffende hand van de Heer des Heren en dat leidde dan weer tot nog meer Bijbellezen en gebed. Ik vond die God een nog strenger heerschap dan Pa en die was al niet gemakkelijk. Van school moesten we thuis psalmen leren en alle bijbelboeken, profeten en joodse koningen op een rij kunnen opzeggen en Pa overhoorde ons dan, waarbij geen hapering werd geduld! Andere boeken dan de bijbel en enkele ingebonden preken waren er niet in huis. Leuke kinderboeken hebben wij in onze jeugd nooit gekend, zelfs Heidi was taboe.
In 1918 kregen wij er nog een broertje Jan en in 1923 een zusje Geertje bij.

Deel 2 – Berend vertelt verder